categoryBody

Hoe wordt Hashimoto vastgesteld? Bloedonderzoek en diagnose

Miss Kriss • Hashimoto Coach •

Hoe wordt Hashimoto vastgesteld? Lees welke rol TSH, FT4, TPO-antistoffen, Tg-antistoffen en een schildklierecho kunnen spelen bij de diagnose.

Misschien loop je al een tijd rond met klachten die je niet goed kunt verklaren. Je bent moe, hebt het vaker koud, kunt je moeilijk concentreren of merkt dat je haar en gewicht veranderen.

Op een gegeven moment vraag je je misschien af: zou dit Hashimoto kunnen zijn?

Dan wil je vooral weten hoe je daarachter komt. Is er een speciale bloedtest? Moet je TSH verhoogd zijn? En kun je Hashimoto ook hebben als je schildklierwaarden normaal zijn?

**Hashimoto wordt niet vastgesteld op basis van één symptoom of één bloedwaarde.** Een arts kijkt naar je klachten, medische voorgeschiedenis, schildklierfunctie en eventuele antistoffen. Soms is aanvullend onderzoek nodig.

Wat is Hashimoto precies?

Hashimoto is een auto-immuunziekte van de schildklier. Je afweersysteem reageert daarbij tegen onderdelen van je schildklier, waardoor het schildklierweefsel in de loop van de tijd beschadigd kan raken.

Daardoor kan de schildklier steeds minder hormoon produceren. Wanneer er onvoldoende schildklierhormoon beschikbaar is, ontstaat hypothyreoïdie, oftewel een trage schildklier.

Maar dat gebeurt niet bij iedereen meteen.

Je kunt Hashimoto hebben terwijl je schildklier nog voldoende hormoon produceert en je TSH en FT4 normaal zijn.

Dat onderscheid is belangrijk: Hashimoto beschrijft de auto-immuunziekte, terwijl hypothyreoïdie beschrijft hoe de schildklier functioneert.

Hoe begint het onderzoek naar Hashimoto?

Het onderzoek begint meestal met een gesprek bij de huisarts.

Je arts vraagt welke klachten je hebt, hoe lang ze bestaan en of ze geleidelijk zijn ontstaan. Ook je medische voorgeschiedenis kan belangrijk zijn.

Schildklierziekten en andere auto-immuunziekten in de familie kunnen bijvoorbeeld aanleiding geven om verder te kijken. Daarnaast kunnen medicijnen, supplementen, zwangerschap of een recente bevalling relevant zijn.

Soms onderzoekt de arts ook je hals om te kijken of de schildklier vergroot is of er afwijkingen voelbaar zijn.

Vervolgens kan bloedonderzoek helpen om te beoordelen hoe je schildklier functioneert en of er aanwijzingen zijn voor auto-immuniteit.

Welke bloedwaarden worden onderzocht bij Hashimoto?

De belangrijkste bloedwaarden zijn meestal TSH en FT4. Wanneer de oorzaak van een schildklierafwijking onderzocht wordt, kunnen ook TPO-antistoffen worden bepaald.

Deze testen beantwoorden verschillende vragen.

TSH en FT4 vertellen vooral hoe goed je schildklier functioneert. TPO-antistoffen kunnen helpen om vast te stellen of het afweersysteem tegen de schildklier reageert.

In bepaalde situaties worden ook Tg-antistoffen onderzocht.

Niet iedereen heeft alle testen nodig. Je arts bepaalt welke onderzoeken passen bij jouw situatie.

Wat vertelt TSH bij de diagnose?

TSH staat voor thyroid-stimulating hormone, oftewel schildklierstimulerend hormoon.

Het wordt gemaakt door de hypofyse, een kleine klier in je hersenen. Via TSH krijgt de schildklier het signaal om schildklierhormonen te produceren.

Wanneer je schildklier onvoldoende hormoon maakt, kan de hypofyse reageren door meer TSH af te geven.

Daarom is een verhoogde TSH vaak een aanwijzing voor een trage schildklier.

Maar een hoge TSH betekent niet automatisch dat je Hashimoto hebt. Hypothyreoïdie kan namelijk ook andere oorzaken hebben.

TSH laat vooral zien hoe de schildklier wordt aangestuurd, niet waarom er eventueel een probleem is ontstaan.

Wat vertelt FT4?

FT4 staat voor vrij thyroxine, ook wel vrij T4 genoemd. Het is het gedeelte van het schildklierhormoon T4 dat niet aan transporteiwitten in het bloed gebonden is.

Artsen beoordelen TSH en FT4 vaak samen.

Een verhoogde TSH met een lage FT4 past bijvoorbeeld bij duidelijke primaire hypothyreoïdie.

Een verhoogde TSH met een normale FT4 kan passen bij subklinische hypothyreoïdie.

Maar ook deze combinaties vertellen vooral iets over de schildklierfunctie. Ze bewijzen niet automatisch dat Hashimoto de oorzaak is.

Daarvoor kan aanvullende informatie nodig zijn.

Hoe helpen TPO-antistoffen bij de diagnose?

TPO staat voor thyroid peroxidase, een enzym dat betrokken is bij de productie van schildklierhormonen.

Bij Hashimoto maakt het afweersysteem vaak antistoffen tegen dit enzym aan. Deze worden TPO-antistoffen of anti-TPO genoemd.

Wanneer anti-TPO verhoogd is en het overige medische beeld daarbij past, ondersteunt dat de diagnose Hashimoto.

Toch betekent een positieve anti-TPO-test niet in iedere situatie automatisch dat iemand Hashimoto heeft.

TPO-antistoffen kunnen ook bij andere auto-immuunziekten van de schildklier voorkomen. Bovendien kunnen mensen antistoffen hebben terwijl hun schildklierfunctie normaal is.

Ook de hoogte van anti-TPO vertelt niet rechtstreeks hoe ernstig Hashimoto is of hoeveel klachten je hebt.

Kun je Hashimoto hebben zonder verhoogde TPO-antistoffen?

Ja, dat is mogelijk.

Bij veel mensen met Hashimoto zijn TPO-antistoffen aantoonbaar, maar niet bij iedereen.

Een negatieve anti-TPO-test sluit Hashimoto daarom niet onder alle omstandigheden volledig uit.

Wanneer er toch een sterke verdenking bestaat, kan een arts andere informatie meewegen, zoals je medische voorgeschiedenis, Tg-antistoffen of het beeld van de schildklier op een echo.

Dat betekent niet dat iedereen met negatieve antistoffen automatisch aanvullend onderzoek nodig heeft.

Het hangt af van het volledige medische beeld.

Wat zijn Tg-antistoffen?

Naast TPO-antistoffen bestaan er antistoffen tegen thyreoglobuline. Deze worden Tg-antistoffen, anti-Tg of TgAb genoemd.

Thyreoglobuline is een eiwit in de schildklier dat betrokken is bij de productie en opslag van schildklierhormonen.

Tg-antistoffen kunnen voorkomen bij auto-immuunziekten van de schildklier, waaronder Hashimoto.

Ze worden niet bij iedereen standaard bepaald. Soms kunnen ze aanvullende informatie geven wanneer de diagnose nog niet duidelijk is.

Kun je Hashimoto hebben met normale TSH en FT4?

Ja. Dit is een belangrijk verschil tussen Hashimoto en hypothyreoïdie.

Hashimoto kan al aanwezig zijn voordat je schildklier onvoldoende hormoon produceert.

Je kunt dus TPO-antistoffen hebben en aanwijzingen voor Hashimoto, terwijl TSH en FT4 nog binnen het referentiegebied liggen.

Wanneer de schildklierfunctie normaal is, wordt dat ook wel euthyroïd genoemd.

Een normale TSH sluit Hashimoto daarom niet automatisch uit.

Andersom betekent een verhoogde TSH niet automatisch dat Hashimoto de oorzaak is.

De bloedwaarden moeten samen worden beoordeeld.

Is T3 of FT3 nodig om Hashimoto vast te stellen?

Meestal niet.

T3 is de biologisch actievere vorm van schildklierhormoon. FT3 is het vrije gedeelte daarvan in het bloed.

Bij beginnende primaire hypothyreoïdie kan T3 nog normaal zijn terwijl TSH al verhoogd is.

Daarom zijn T3 en FT3 meestal niet de belangrijkste testen om Hashimoto of een trage schildklier vast te stellen.

Een normale T3 sluit Hashimoto niet uit en een lage T3 bewijst de diagnose niet.

TSH, FT4 en waar nodig schildklierantistoffen geven meestal meer bruikbare informatie.

Is een echo nodig om Hashimoto vast te stellen?

Niet altijd.

Een echo laat de structuur van de schildklier zien. Bij Hashimoto kunnen veranderingen in het schildklierweefsel zichtbaar zijn die passen bij een auto-immuunproces.

Maar een echo is niet standaard nodig bij iedereen die op Hashimoto wordt onderzocht.

Een arts kan een echo overwegen wanneer de schildklier vergroot lijkt, er een knobbel voelbaar is of wanneer het diagnostische beeld niet duidelijk is.

Een echo meet niet hoeveel schildklierhormoon je produceert. Daarvoor blijft bloedonderzoek belangrijk.

Ook kan een echo op zichzelf niet altijd met zekerheid aantonen dat iemand Hashimoto heeft.

Is een schildklierbiopsie nodig?

Bij een gewone verdenking op Hashimoto is een biopsie meestal niet nodig.

Soms wordt een punctie uitgevoerd wanneer er bijvoorbeeld een schildklierknobbel is die nader onderzocht moet worden.

Dat onderzoek is bedoeld om de knobbel te beoordelen, niet om standaard Hashimoto vast te stellen.

De meeste mensen met een vermoeden van Hashimoto hoeven dus geen schildklierweefsel te laten afnemen.

Wat als je TSH hoog is maar TPO-antistoffen negatief zijn?

Dan kan er nog steeds sprake zijn van hypothyreoïdie.

TSH en FT4 geven informatie over de werking van de schildklier. TPO-antistoffen helpen vooral bij het onderzoeken van een mogelijke auto-immuunoorzaak.

Wanneer je TSH verhoogd is maar anti-TPO negatief, kan je arts daarom nog steeds onderzoeken waarom je schildklierfunctie afwijkend is.

Niet iedere trage schildklier wordt veroorzaakt door Hashimoto. En niet iedereen met Hashimoto heeft aantoonbare TPO-antistoffen.

Wat als TPO-antistoffen hoog zijn maar TSH normaal is?

Dan kunnen er aanwijzingen zijn voor schildklierauto-immuniteit terwijl je schildklier nog voldoende hormoon produceert.

Dat betekent niet automatisch dat je levothyroxine nodig hebt.

Levothyroxine wordt gebruikt om een tekort aan schildklierhormoon aan te vullen. Wanneer je schildklierfunctie normaal is, bestaat zo'n tekort niet vanzelf.

Afhankelijk van je situatie kan het wel verstandig zijn om je schildklierfunctie in de toekomst opnieuw te controleren.

De hoogte van TPO-antistoffen alleen bepaalt niet of je medicatie nodig hebt.

Wanneer is het verstandig om je schildklier te laten onderzoeken?

Klachten van een trage schildklier kunnen geleidelijk ontstaan en lijken soms op klachten van andere aandoeningen.

Denk aan aanhoudende vermoeidheid, het vaak koud hebben, obstipatie, droge huid, haaruitval, concentratieproblemen, spierklachten, veranderingen in je menstruatie of onverklaarde gewichtstoename.

Geen van deze klachten bewijst dat je Hashimoto hebt.

Maar wanneer meerdere klachten blijven bestaan, kan het verstandig zijn om met je huisarts te bespreken of schildklieronderzoek zinvol is.

Dat geldt zeker wanneer schildklierziekten of andere auto-immuunziekten in je familie voorkomen.

Wat gebeurt er nadat Hashimoto is vastgesteld?

Dat hangt vooral af van je schildklierfunctie.

Heb je Hashimoto terwijl TSH en FT4 normaal zijn? Dan kan het voldoende zijn om de schildklierfunctie periodiek te controleren.

Heeft Hashimoto geleid tot hypothyreoïdie? Dan kan behandeling met levothyroxine nodig zijn om het tekort aan schildklierhormoon aan te vullen.

De behandeling wordt vooral gevolgd met schildklierfunctietesten, niet door te proberen TPO-antistoffen naar nul te brengen.

Heb je Hashimoto en ben je zwanger of wil je zwanger worden? Bespreek dit tijdig met je arts. Rond de zwangerschap vraagt de schildklierfunctie extra aandacht.

Hoe kun je je voorbereiden op een afspraak?

Je hoeft niet alle medische afkortingen uit je hoofd te kennen.

Het kan wel helpen om je klachten, eerdere bloeduitslagen en medicijngebruik bij elkaar te hebben.

Noteer bijvoorbeeld wanneer je klachten begonnen, welke medicijnen en supplementen je gebruikt en of schildklierziekten in je familie voorkomen.

Heb je al TSH-, FT4- of antistofuitslagen? Neem die dan mee.

Zo kan je arts niet alleen naar de afzonderlijke getallen kijken, maar ook naar het verloop en je persoonlijke situatie.

Hoe weet je uiteindelijk of je Hashimoto hebt?

Hashimoto wordt niet vastgesteld door alleen te kijken of TSH verhoogd is. Ook één positieve of negatieve antistofuitslag vertelt niet altijd het volledige verhaal.

**TSH en FT4 laten vooral zien hoe je schildklier functioneert. TPO-antistoffen kunnen helpen om een auto-immuunoorzaak vast te stellen.**

Soms geven Tg-antistoffen, lichamelijk onderzoek of een echo aanvullende informatie.

Je kunt Hashimoto hebben terwijl je schildklierfunctie nog normaal is. En je kunt hypothyreoïdie hebben zonder dat Hashimoto de oorzaak is.

Daarom kijkt een arts naar de combinatie van je klachten, medische voorgeschiedenis en onderzoeksresultaten.

Niet één getal bepaalt de diagnose. Het is het volledige beeld dat helpt om te begrijpen wat er aan de hand is en welke vervolgstappen nodig zijn.

De belangrijkste onderzoeken op een rij:

  • TSH en Vrij T4 om de actuele schildklierwerking te meten
  • Anti-TPO en Anti-Tg om schildklierantistoffen op te sporen
  • Een echo voor het beoordelen van de weefselstructuur
  • Het belang van kijken naar het complete klachtenplaatje